DE BELEVENISSEN VAN DE GTW IN DE MEIDAGEN VAN 1940

door P. van Rosse

Als voorbode van de 2e Wereldoorlog, waarin sinds 10 mei 1940 Nederland noodgedwongen moest deelnemen,
kreeg de directie der Geldersche Tramwegen al op 7 mei 1940 de opdracht om na einde dienst zoveel mogelijk personeel, autobus- en vrachtautomaterieel samen te trekken aan de westzijde van de IJssel tot de volgende ochtend 4.00 uur.
Voor de depots Dieren, Arnhem en Ede was dit relatief eenvoudig, doch voor de standplaatsen Doetinchem, Deventer
en Zutphen lag dit uiteraard anders.
Het meeste materieel werd ’s avonds opgesteld bij het depot Dieren, het bijbehorende personeel kreeg aanvankelijk slaapplaatsen toegewezen in enkele garage-boxen, die waren voorzien van een inderhaast aangebrachte laag stro.
Weinig comfortabel en niet ideaal voor een goede nachtrust.
Toen op 8 en 9 mei de operatie moest worden herhaald en de verkeersveiligheid in het geding zou komen door te weinig nachtrust, werd een groot aantal chauffeurs een gastvrij onderdak geboden door de inwoners van Dieren.
Vijf Š zes vrachtwagens van depot Deventer werden naar De Worp aan de overzijde van de IJssel overgebracht.
Op 10 mei 1940 trokken de Duitsers rond 3.30 uur de Achterhoek binnen.
Het personeel aan de westzijde kwam onmiddellijk in dienst en het materieel werd voor vertrek opgesteld in afwachting van nadere instructies.
Een afgeleverde enveloppe van de “Etappen- en Verkeersdienst” van de Koninklijke Landmacht gaf Rotterdam als bestemming aan, maar per telefoon werd korte tijd later de opdracht gewijzigd in Den Haag, “De Bataaf” (momenteel een partycentrum) in de Scheveningse Bosjes.
Aldus gingen om 9.10 uur vanuit Dieren 66 autobussen en vrachtwagens op pad, te weten:  

De Dion Bouton 70, 74, 78, 92 en 93

Kromhout           110, 111, 112, 115, 116, 117, 146, 148, 150 en 151

Krupp                 94, 100, 103, 121, 123, 127, 134, 152, 153, 159, 160, 162, 163, 164, 165, 166, 167,168, 169 en de 448, alsmede nog 31 vrachtwagens.
wp319bbe0a.jpg
wpa0e1c735.jpg
Nog voor vertrek waren twee G.T.W. autobussen, waaronder de Kromhout 108, in opdracht van de  Rijksveldwacht naar Arnhem gedirigeerd voor het transport van gevangenen.
Na een beschieting bleef de 108 in Arnhem achter bij het Goederenstation aan de Westervoortschedijk.
De chauffeur van de andere wagen wist alsnog via de Duitse linies Den Haag te bereiken.
Vanuit het depot Ede moesten twee Krupp’s, de 126 en 140, eveneens voor het vervoer van gevangenen worden ingezet,
naar het Fort Spijkerboor bij Wormerveer en vandaar naar Den Haag.
De Kromhout 149 en 158 bleven wegens respectievelijk defecte remmen en een defecte wisselbak noodgedwongen te Dieren achter, ook vrachtauto 267 (ex bus 67) bleef , waarschijnlijk wegens een defect, in Dieren achter.
GTW 93, De Dion Bouton/Verheul te Doetinchem op 12 april 1937.
Foto: collectie P.van Rosse
wp58e3b789.jpg
GTW 267 (ex bus 67), De Dion Bouton JV bouwjaar 1927 te Doetinchem op 28 juni 1938
Foto: collectie P.van Rosse
De grote groep reed vanuit Dieren vanwege wegversperringen ondermijnde wegen e.d. via de route Arnhem-Apeldoorn-Ermelo-Amersfoort-Utrecht naar Den Haag.
Omdat na Apeldoorn gedeeltelijk over  binnenwegen, waaronder ook onverharde wegen, werd gereden, wierp de voorste wagens van de colonne zodanige stofwolken op, dat het achterste deel van het konvooi gedesoriŽnteerd raakte, de verkeerde weg insloeg en in Harderwijk terecht kwam.
Nadat bij Ermelo met de gehele groep stapvoets een aantal met explosieven ondermijnde bomen was gepasseerd, werd zonder veel problemen Utrecht bereikt en ging men verder op weg naar Den Haag.
Nabij Harmelen kwam de oorlog toch wel angstig dichtbij toen het konvooi bij een luchtaanval met mitrailleurs werd beschoten en er daarnaast nog een vijftal bommen werd afgeworpen.
Het G.T.W. personeel zocht ogenblikkelijk dekking in de belendende weilanden en kwam niet geheel ongedeerd uit de strijd. Een viertal chauffeurs liepen hoofdwonden op en een vijfde chauffeur had in de begrijpelijke haast waarmee hij zijn voertuig had verlaten, een been gekneusd.
Eerst nu bleek, dat ook een viertal conductrices – als verstekelingen – mee op reis waren gegaan.
Zij hadden de veiligheid onder de “G.T.W.-paraplu” verkozen boven een ongewisse toekomst in de Achterhoek.
Van het wagenpark werden de bussen 100, 112, 115, 117, 134, 151 en 163 beschadigd, waarvan het merendeel
nog mee kon naar Den Haag.
Bus 112 en 134 moesten echter worden achtergelaten, terwijl de 115 op sleeptouw werd genomen met als bestemming Verheul te Waddinxveen.
Tijdens dit oponthoud was de op de Veluwe verdwaalde groep weer bijgekomen, zodat men nu weer gezamelijk kon optrekken.
wp86d0029f.jpg
Omdat de enorme G.T.W. colonne op de open Rijksweg 12 vanuit de lucht een wel zeer gemakkelijk doelwit vormde,
werd besloten de binnenwegen via Woerden, Bodegraven en Leiden te volgen.
Onderweg kwam de Deventer vrachtwagens tegen die na aanvankelijk naar Rotterdam te zijn gestuurd, nu naar Utrecht onderweg waren naar Amsterdam.
Zonder verdere oorlogservaringen bereikte het Dierense konvooi rond 20.00 uur Den Haag, na nog eerst in Voorburg te zijn tegengehouden door een wegversperring van een vijftal G.T.W. vrachtwagens van de depots Arnhem en Bemmel.
De eerste nacht verbleef de hele groep in “De Bataaf”, slapend op stoelen, waarbij het wagenpark in de Scheveningse Bosjes verdekt werd opgesteld.
Op de 11e mei werd geprobeerd om in de omgeving van Den Haag stro te bemachtigen, een poging die als resultaat had dat drie chauffeurs om onduidelijke redenen in het gevang belandden, terwijl een andere ploeg G.T.W.-ers door Nederlandse militairen werd beschoten waarbij ťťn van de chauffeurs een schampschot opliep.
Tegelijkertijd werd de De Dion Bouton autobus 74 door het Nederlandse leger in beslag genomen.
Niet zelden werden in de algemene verwarring van die dagen G.T.W. chauffeurs aangezien voor Duitse parachutisten!
Maar ook in Den Haag lukte het om een groot aantal G.T.W.-ers bij particulieren onder te brengen, zodat het organiseren van stro maar werd gelaten voor wat het was.
En nog steeds druppelde er in Den Haag G.T.W.-materieel binnen.
Op 12 mei kwamen ‘s morgens vanuit Fort Spijkerboor de Edese Krupp’s 126 en 140 met een viertal chauffeurs binnen,
’s avonds gevolgd door een chauffeur uit Deventer met een vrachtauto van de Tramweg Maatschappij “De Graafschap”.
Ook op 13 mei kwam er nog een Zutphense chauffeur binnen, die aanvankelijk rond Dieren voor het Nederlandse leger in touw was geweest, maar nadat zijn wagen in het terrein kwam vast te zitten, te voet en met andere vervoermiddelen Den Haag wist te bereiken.
Een chauffeur van Autobus onderneming Wed. de Haas uit Veenendaal werd aan de groep toegevoegd.
Helaas zonder voertuig, maar dat was voor de militaire autoriteiten niet zo’n probleem.
N.A.C.O. Kromhout bus 32, (de eerste Kromhout autobus uit 1935) werd gevorderd en aan de G.T.W. toegewezen.
Intussen waren de G.T.W. chauffeurs belast met allerlei transporten, waarvan de meeste niet zonder gevaar.
Zo werd met een zestal G.T.W. bussen en een vrachtauto personeel en bagage van het Engelse Gezantschap van Den Haag naar Hoek van Holland gebracht.
Hier lag een Brits oorlogsschip gereed om goederen naar een Engelse haven te brengen.
Overkomende vliegtuigen zorgden hier voor enige consternatie en doordat het oorlogsschip een salvo loste, braken van de Krupp 159 door de luchtdruk enkele ruiten.
wpf356bcc3.jpg
wp1fd12112_0f.jpg
Dit artikel werd geschreven door de heer P. van Rosse en is geplaatst in de Autobuskroniek,
een orgaan van de Autobus Documentatie Vereniging (A.D.V.), van de 36e jaargang no. 4 in 1996.
Speciaal voor deze website is hetzelfde artikel door G.J. Gunnink herschreven op 26 juli 2008
G.T.W. 146 “Meeuw”, Kromhout B6/Werkspoor 38 zitpl. Bouwjaar 1938.
Foto: collectie P.van Rosse
G.T.W. 160, Krupp/Verheul 1939 met verduisterde koplampen
Foto: collectie P.van Rosse
Een groot aantal wagens werd ingezet naar Rotterdam voor het transport van geneesmiddelen en verplegend personeel, terwijl op terugrit veel gewonden en evacuŽes vervoerd werden.
Dit waren ritten waarbij sommige chauffeurs 48 uur achter elkaar in touw waren, hierbij kwam de Krupp 103 in de problemen en bleef met een (vermoedelijk) defecte wisselbak achter bij Maassluis.
Ook vliegveld Ypenburg, waar zwaar werd gevochten, werd door de G.T.W. bevoorraad, hierbij vielen gelukkig geen gewonden, maar men liep wel schade op aan het vrachtautomaterieel.
Al in een vroeg stadium had de legerleiding gewezen op de gevaren die waren verbonden aan het rijden in oorlogsgebied met materieel in de wel zeer opvallende G.T.W. kleuren, terwijl de verwarring zaaiende G.T.W. uniformen deze gevaren niet weinig verhoogden.
Door de militaire autoriteiten werd verf beschikbaar gesteld en kon men het materieel in camouflagekleuren schilderen, daarnaast werd de directie van een landelijk kledingbedrijf opgetrommeld en werd de hele groep van circa 85 mannen en vrouwen van boven tot onder in nieuwe burgerkleren gestoken, bovendien kreeg ieder personeelslid een uitkering van 10 gulden.
15 mei was de laatste dag in Den Haag en de G.T.W.-ers kregen opdracht om de volgende dag terug te keren naar de Achterhoek.
Enkele benzinewagens resp. diesels reden al bijna met een lege tankinhoud en even gewoon tanken bij een tankstation was door de nieuwe bevelhebbers streng verboden.
Goede raad is duur, maar collegialiteit van de zijde van H.T.M. hielp de Geldersche Tramwegen uit de brand en zo ging men de volgende ochtend, na eerst bij de H.T.M. getankt te hebben rond 10.00 uur op weg richting Gelderse Achterhoek.
Negen vrachtwagens en twee trekker/oplegger combinaties, die nog geladen met munitie op de Waalsdorpervlakte stonden, moesten worden achtergelaten.
Bij Harmelen stonden nog precies als op 10 mei, de defecte Krupp 134 en Kromhout 112, de laatste werd naar Verheul gesleept en de 134 kon na het verwisselen van een band de terugreis meemaken.
Nog was alle leed niet geleden.
Ter hoogte van Utrecht werd de Kromhout 111 met twee chauffeurs door de Wehrmacht gevorderd om militairen naar Harderwijk te vervoeren, terwijl een vrachtwagen van de B.T.M. (Betuwsche Tramweg Maatschappij) nabij Woudenberg door de Duitsers in beslag was genomen.
Nadat Krupp 134 bij De Klomp werd achtergelaten met een defecte radiator, werd – met de Achterhoek al in zicht – de chauffeur van Kromhout 151 in Arnhem bevolen rechtsomkeert maken naar Rotterdam voor het vervoer van Duitse militairen.
N.A.C.O. Kromhout 32, die slechts voor enkele korte ritten was ingezet, werd door een G.T.W. chauffeur als dank bij de rechtmatige eigenaar in Alkmaar afgeleverd.
Het grootste gedeelte van de groep arriveerde nog in de middag van de 16e mei op de thuisbasis, een klein aantal personeelsleden kwam de volgende dag terug.
Op 18 mei 1940 werd zoveel mogelijk een (beperkte) dienstregeling hervat, al deed een groot gedeelte van het wagenpark nog in de groen/grijze camouflagekleuren dienst op de lijndiensten in de Betuwe en de Achterhoek.
Bijna 100 mannen en vrouwen van de G.T.W. waaronder de hoofd stationschef van Arnhem, de stationschef van Dieren, een tractieopzichter en een monteur, circa 90 chauffeurs en vier conductrices konden tevreden terugzien op een toch wel angstig avontuur.
Met veel inzet, moed en hulpvaardigheid werd menige gevaarlijke opdracht met succes uitgevoerd en met de wetenschap,
dat menigeen huis en haard had moeten verlaten op een tijdstip dat de bezetter al door de Achterhoek trok en men
in Den Haag absoluut niet wist hoe deze situatie zich had ontwikkeld.
G.T.W. 165, Krupp/Verheul uit 1940 werd als een van de nieuwste
bussen ook ingezet in de eerder beschreven missie                     Foto: collectie P.van Rosse