startpagina

archief

verder

De 12 Fordjes kregen na verbouwing tot vrachtwagen de nummers 17 t/m 28 en aangezien sommige Fords werden opgenomen in de wagenparken van éen der dochtermaatschappijen van de G.T.M., werden deze wagens overeenkomstig vernummerd, zo werden er twee Fords uit de serie 17-28 vernummerd in 421-422 t.b.v. G.W.S.M.
Ongeveer gelijktijdig met de ombouwperiode van de T-Fordjes, verliep ook de aanschaf van een
grote serie De Dion Bouton autobussen vanaf 1924 t/m 1933 met de nummers 50 t/m 93.
De goede jaren van het trambedrijf waren voorbij en langzaamaan brokkelde het tramlijnennet steeds verder af.
Voor de 2e Wereld Oorlog waren alle personentrams reeds door busdiensten vervangen.
Maar ook het goederenvervoer ging steeds vaker met de vrachtauto, waardoor de vraag naar vrachtauto’s eveneens toe nam.
Om het vrachtautopark uit te breidden verkoos men andermaal om hiervoor haar eigen autobussen om te bouwen, deels ook ter vervanging van de T-Fords.
In de periode 1936 t/m 1940 werden 29 De Dion Bouton bussen uit de serie 50 t/m 90 verbouwd als vrachtauto
met nog 3 Minerva’s die afkomstig waren van de Tramweg Mij. “Zutphen-Emmerik”, nummers 605, 607 en 609.
De meeste wagens kregen een gesloten houten laadbak welke op de zijkanten dicht werd gemaakt met zeildoek. De cabine bleef intact en werd net achter de chauffeurszetel afgesneden
en met metaalplaat weer dicht gemaakt.
Een tweetal wagens behielden hun oorspronkelijke carrosserievorm als bus, te weten de twee van Van de Ende overgenomen wagens die de nummers 267 en 268 kregen, ex bus 67 en 68.
G.S.T.M. 24 op het Velperplein te Arnhem in juli 1932
Vrachtauto 267 behield zijn oorspronkelijke busvorm,
hier werd de raampartij en het dak verwijderd en overeenkomstig de foto gewijzigd.
Alle De Dion Bouton vrachtwagens waren in hun busperiode 1933/1936 reeds voorzien
van een dieselmotor van Junkers.
De drie Minerva’s welke van de Z.E. werden overgenomen kregen in 1934 dieselmotoren van Kromhout.
Wanneer de ombouwtabellen beter worden bekeken lijkt het of er twee wagens het nummer 260 zijn geweest. Dat klopt, maar niet tegelijkertijd.
Als eerste kreeg bus 607 in 1938 het vrachtautonummer 260, maar nog in hetzelfde jaar werd het al vernummerd in 425 t.b.v. GWSM., waarbij het nummer 260 vrij kwam om in 1939 de omgebouwde bus 86
als vrachtauto 260 te nummeren.
Direct na de bevrijding kreeg het werkplaats personeel er erg veel extra werk bij om al het defecte en vernielde materieel weer zo snel mogelijk de weg op te krijgen.
In aanvang werden hiervoor “noodbussen” gebruikt en dat was soms niet meer dan een open vrachtauto met houten banken met een open achterzijde.
Voor dit doel werden veelal Bedford vrachtauto’s gebruikt, maar ook één van de overgebleven De Dion Bouton’s werden hiervoor gebruikt.
De 266 heeft een normale laadbak, evenals de overige De Dion Boutons en Minerva wagens,
met uitzondering van de eerder genoemde wagens 267-268.
Vrachtauto 262 ex bus 62 vervoert weer personen.
Wegens gebrek aan materieel nog niet op die wijze zoals de maatschappij het graag wilde,
maar men was al lang blij dat men weer vervoerd kon worden.
De 262 werd overgenomen van de Limburgse Auto-omnibus Dienst en in 1947 afgevoerd.
Het probleem van de eerste twee naoorlogse jaren was dat de G.T.W. nog geen bussen konden aanschaffen
die men graag wil hebben, men was veelal aangewezen op toewijzingen.
En zo kwamen er enkele Ford schoolbussen, Bedford en Chausson bussen in dienst, en verder probeerde men dat de werkplaats zoveel mogelijk vernielde Krupp en Kromhoutbussen weer bedrijfsklaar kon maken.
Ook de Bedford bussen werden van vrachtauto verbouwd tot bus, om later weer tot vrachtauto te worden terug verbouwd.
Wat in de werkplaats allemaal tot stand werd gebracht, grenst bijna aan het ongeloofwaardige...
Het was meer een carrosseriefabriek dan een werkplaats, alles in eigen beheer.
In Deel 2 gaat dit artikel verder met de beschrijving van de na-oorlogse Bedfords.