startpagina

archief

Stoptekens in autobussen

Toen rond 1923 op diverse plaatsen in ons land de autobusbedrijven uit de grond werden gestampt,
werden deze in hoofdzaak geëxploiteerd met de bekende Ford T bussen.
In de eerste jaren waren er nog geen bushaltes, en kon men met en simpel gebaar  (een uitgestoken hand) te kennen geven dat men mee wilde reizen.
Eenmaal in de bus kon men bij de chauffeur aangeven waar men wenste uit te stappen,
of bij een dienstdoende conducteur of conductrice, want bij sommige bedrijven was er zelfs een conducteur aanwezig
op de 13 persoons T-Fordjes.
Naarmate de bussen groter werden kon deze situatie niet gehandhaafd blijven, aangezien op elke hoek van de straat,
of een ander punt, gestopt werd voor het in- c.q. het uitstappen van passagiers.
Op bepaalde afstanden van elkaar kwamen er dus bushalten.
Wanneer het stopsysteem in de bussen precies geïntroduceerd is, is helaas niet bekend.
Maar één van de eerste vormen was een trekkoord, wanneer iemand aan dit koord trok, ging er een bel over bij de chauffeur,
en wist deze dat hij bij de volgende halte moest stoppen.
Later werden dit soort inrichtingen vervangen door een electrische bel en door middel van een drukknop.
Bij alle oudere G.T.W. bussen die voor 1949 werden aangeschaft ging er een zoemtoon af in de cabine van de chauffeur,
wanneer iemand op de stopknop drukte.
Een groot nadeel van dit systeem was echter dat wanneer meerdere passagiers bij die bepaalde halte willen uitstappen,
er vaker op de stopknop werd gedrukt, omdat men in de passagiersruimte niet kon zien dat er reeds gebeld was.
Hierdoor geraakten chauffeurs wel eens in de stress van al die zoemtonen.
Het kwam ook nog wel eens voor dat hij vergat te stoppen, ondanks dat er toch gebeld was.
Een klopje tegen het raam van het seperatieschot was voldoende om de chauffeur tot stoppen te manen.
Begin 1952 paste men een ander stopsysteem toe bij de G.T.W., althans in gewijzigde vorm.
Zodra er door een reiziger in de bus een stopteken wordt gegeven, ontsteekt de chauffeur een rode lamp in de reizigersafdeling, als bevestiging dat hij het begrepen heeft.
In zijn cabine brandt gelijktijdig een contrôlelampje.
Tijdens het branden van het rode stopsignaal wordt er geen zoemsignaal afgegeven in de cabine, waardoor onnodig lawaai in de cabine wordt vermeden.
Het was tevens een onnodige handeling de stopknop in te drukken, wanneer dit rode licht brandt,
want men kon tot achter in de bus zien of de bus ging stoppen.
Op de stopplaats schakelt de chauffeur het rode licht weer uit, waardoor de zoemer opnieuw in werking kon worden gesteld.
Dit systeem werd reeds toegepast op de nieuwste Saurer en A.E.C.-bussen resp. uit 1949 (361-380) en 1951 (340-340),
maar vanaf 1952 werd dit systeem op alle bussen ingevoerd.

Ruim een halve eeuw geleden was dit systeem nieuw en zullen de jongere generatie het nauwelijks kunnen geloven,
omdat tegenwoordig alles automatisch gaat.
Men drukt op de stopknop (die handeling moet men ook nu nog doen), en direct treedt er een lamp in werking,
soms ook met de tekst STOP.
Zodra de bus bij de halte gestopt is en de deuren worden geopend, gaat het licht uit.
Dus de chauffeur kan nooit vergeten het licht weer te doven.
Er is echter één ding wat wel hetzelfde is gebleven met een halve eeuw geleden, n.l. de kans dat een chauffeur vergeet te stoppen, ondanks een brandend stopsignaal.
Daar zouden ze toch iets aan moeten doen !

G.J.Gunnink